Limburgse rampen centraal tijdens Maand van de Geschiedenis

Limburgse rampen centraal tijdens Maand van de Geschiedenis

Iedereen maakt in zijn leven rampen mee. Van dierbaren die overlijden tot overstromingen en oorlogsgeweld. Persoonlijke ellende en catastrofes die de samenleving ontwrichten; rampen zijn er in alle maten.

'Wat een ramp' is dit jaar het thema van de Maand van de Geschiedenis die in oktober georganiseerd wordt. 

Historicus Frank Hovens van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg maakte op verzoek van L1 en het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap een overzicht van tien grote rampen die impact hadden op Limburg.

1 - Meteorietinslag 66 miljoen jaar geleden

66 miljoen jaar geleden werd de aarde getroffen door een enorme meteoriet, een brok steen van zo’n 10 km doorsnede. Die sloeg met een snelheid van tientallen km/s in op de plek van het huidige Mexicaanse schiereiland Yucatán. Een tsunami die zijn weerga niet kent overspoelde wereldwijd het vasteland. Desastreuzer nog waren de gevolgen van de grote hoeveelheden gloeiend heet puin en stof die de atmosfeer in werden geslingerd. Door de hitte ontstonden wereldwijd bosbranden. Gedurende een aantal jaren kon het zonlicht de aarde nauwelijks bereiken. Planten kwamen niet tot wasdom. De voedselketen raakte verstoord. Grote dieren als de dinosauriërs legden het loodje. Kleine zoogdieren wisten te overleven. Sterker nog, zonder concurrentie van de dino’s konden de zoogdieren – en uiteindelijk ook de mens – verder evolueren. Met andere woorden: zonder deze oer-ramp had de mens niet bestaan.

Sporen van inslag in mergelgroeve
Maar wat heeft dit nu met Limburg te maken? Het geval wil dat sporen van die ramp op enkele plekken in Zuid-Limburg terug te vinden zijn in de vorm van een kleilaagje in de mergel, te zien bijvoorbeeld in de mergelgroeve van Geulhem.

Limburg was voor de inslag een ondiepe subtropische zee. Skeletjes van gestorven zeedieren zonken naar de bodem en hebben op die manier de bekende mergel gevormd. Bekijk een blok mergel maar eens goed, dan zie je dat het feitelijk een opeenstapeling van kleine fossielen is. Soms vind je grotere fossielen, zoals een haaientand of de wervel van een zeereptiel.

Mosasaurus
Door de meteorietinslag is ook de Mosasaurus uitgestorven. De vondst in 1770 van de kop van dit beest in de Sint Pietersberg is voor de wetenschap van grote betekenis geweest. Na bestudering van de kop was de geoloog en paleontoloog Georges Cuvier (1769 - 1832) ervan overtuigd dat dieren konden uitsterven, een gedachte die inging tegen het Bijbelse scheppingsverhaal, dat bij letterlijke lezing uitgaat van een onveranderlijke wereld. De visie van Cuvier is een van de bouwstenen geweest voor de in 1859 gepubliceerde evolutietheorie van Charles Darwin.

© Natuur Historisch Museum
© Natuur Historisch Museum

2 - De Holocaust

Ten tijde van de Duitse inval op 10 mei 1940 woonden in Nederland ongeveer 140.000 joden; een groot deel van hen was uit Duitsland gevlucht. Limburg telde aan het begin van de oorlog zo’n 1500 joden. Alleen Maastricht en Sittard kenden grotere joodse gemeenschappen. In zo’n dertig andere plaatsen woonden kleinere groepen, vaak bestaande uit één of enkele families. De joden werden vanaf juli 1942 naar het verzamelkamp Westerbork vervoerd, van waaruit de treinen naar de werk- en vernietigingskampen als Auschwitz, Sobibor en Treblinka vertrokken. Ruim zes miljoen joden werden daar vermoord, onder wie 102.000 landgenoten en in Nederland verblijvende vluchtelingen. Zo’n 800 van hen waren afkomstig uit Limburg. Naast de joden waren ook de zigeuners het slachtoffer van de rassenpolitiek van de nazi’s. In de vroege ochtend van 16 mei 1944 werden 245 in Nederland verblijvende zigeuners opgepakt en naar Westerbork vervoerd. In Limburg werden er 22 van hun bed gelicht. Al drie dagen later vertrokken ze per trein naar Auschwitz. Slechts 30 van hen keerden na de oorlog in Nederland terug. Naar schatting zijn 200.000 zigeuners door de nazi’s vermoord.

Deportatie
In de herfst van 1940 namen de Duitsers de eerste anti-Joodse maatregelen. In de loop van 1941 werden de rechten van de joden steeds verder ingeperkt en hun vrijheid in de openbare ruimte in toenemende mate beknot. De weg naar fysieke vernietiging werd ingezet met de eis aan de lokale autoriteiten om een overzicht van alle Joodse inwoners te verstrekken. Op 24 augustus 1942 kregen bijna zeshonderd Limburgse joden een oproep zich de volgende dag te melden in de school aan de Professor Pieter Willemsstraat te Maastricht. Vandaar zouden ze per trein naar Westerbork worden gebracht om een 'geneeskundige keuring te ondergaan of voor 'werk in Duitsland'. Zieken en bejaarden kregen uitstel. Dit lijkt een humane maatregel, maar het was doelbewuste schijn, een manier om twijfelaars zand in de ogen te strooien. Alles wees erop dat het daadwerkelijk een ‘werkverruimende maatregel’ betrof, zoals in de oproep stond. Dat ook vrouwen en kinderen 'mee mochten', leek hiermee niet in tegenspraak.

Vergast
Op 28 augustus vertrok vanuit kamp Westerbork de trein naar vernietigingskamp Auschwitz. Het was een dodentrein, maar dat drong niet door tot de mensen die op transport waren gesteld. De reis in de personentrein verliep redelijk comfortabel. Iedereen was opgewekt en vrolijk, zo herinnerde een overlevende zich. Een van de weinige, want bijna iedereen van de 608 personen - van wie 208 uit Limburg - werd gelijk na aankomst op 31 augustus vergast.

© collectie Heemkundevereniging Meerssen
© collectie Heemkundevereniging Meerssen

Limburg Doc: Monument voor de laatste reis

Op het treinstation van de Poolse stad Cosel is in september 2016 een gedenkteken geplaatst dat verwijst naar de deportatie van joden in de Tweede Wereldoorlog. Het monument is een initiatief van historicus Herman van Rens en zijn vrouw Annelies uit Beek. L1 maakte een documentaire van drie kwartier over deze deportatie.

'Monument voor de laatste reis' is uitgezonden in de reeks Limburg Doc. De documentaire werd gemaakt door Frank Ruber en cameraman Pascal Courbois.


3 - Overstromingen van de Maas en zijrivieren

Wie Limburg zegt, zegt de Maas. De majestueuze, grillige rivier verbindt Zuid met Noord. Alle andere waterstromen van Limburg monden uit in de Maas of in een van haar zijrivieren, zoals de Geul, de Geleenbeek of de Niers. Vorig jaar werd eens te meer duidelijk dat met de grilligheid en de kracht van deze rivieren niet te spotten valt.

Overstromingen zijn van alle tijden
Al in de Middeleeuwen probeerden de bewoners van de dorpen en gehuchten aan de rivier zich door dijken te beschermen, maar bij heel hoog water schoot die bescherming tekort. Overstromingen waren een vaak terugkerend verschijnsel. In de afgelopen tweehonderd jaar zijn er tal van overstromingen geweest. In de negentiende eeuw, toen kranten gemeengoed werden, werd er in dit medium ook melding van gemaakt, maar alleen wat uitgebreider als het een overstroming van uitzonderlijke omvang betrof, zoals in de winter van 1880-1881.

Grote projecten
De overstroming van de Maas in 1880 werd 45 jaar later overtroffen door het hoogwater van december 1925 en januari 1926. In december 1993 ging het weer mis toen de Maas buiten haar oevers trad en veel mensen geëvacueerd moesten worden. Naar aanleiding van die overstroming verscheen een jaar later een lijvig, 14-delig onderzoeksrapport, maar nog diezelfde winter, in januari 1995, was het weer raak. Het was het signaal dat er ingegrepen moest worden. De Maas moest meer de ruimte krijgen. Het hele project diende te worden gefinancierd door grond- en zandwinning.

Burger kijkt naar overheid
Bij een overstroming van rampzalige omvang wordt altijd een aantal vragen gesteld: hadden we de ramp kunnen voorkomen? Welke lessen leren we hieruit voor de toekomst? En wie is verantwoordelijk, ook voor het afhandelen van de schade? Het lijkt erop dat de individuele burger heden ten dag meer van het Rijk, de Provincie, de Gemeente en het Waterschap verwacht dan in vroegere tijden.

© Historisch Centrum Limburg (Fotocollectie GAM)
© Historisch Centrum Limburg (Fotocollectie GAM)

4 - Uitroeiing van de Eburonen

|

De geschiedschrijving van Limburg begint gelijk met een bloedbad. De vroegst geschreven bron over onze streken danken we aan Julius Caesar. De verovering van het Maasdal door de Romeinen halverwege de eerste eeuw voor Christus verliep niet zonder slag of stoot. De lokale, Keltische (of misschien Germaans-Keltische) bevolking van de Eburonen kwam onder leiding van de koningen Ambiorix en Catuvolcus in 54 voor Christus in opstand. 9000 Romeinse legioensoldaten werden in een hinderlaag gelokt en gedood.

Wraak van Caesar
Caesar nam ongenadig wraak. Hij schrijft in zijn De Bello Gallico dat hij 'tot straf voor zo’n misdaad het ras en de naam van het volk uit moest roeien'. Andere stammen riep hij op om te komen plunderen. Niet tevergeefs: zij verrasten velen, nog verspreid na hun vlucht en maakten zich meester van een grote veestapel, iets waarop de barbaren zeer belust zijn. Om het karwei af te maken werden alle dorpen, alle alleenstaande hoeven in brand gestoken en het vee gedood.

In de derde eeuw begonnen Germaanse troepen van de andere kant van de Rijngrens het Romeinse imperium binnen te vallen. De nederzetting Maastricht werd vanwege deze dreiging omgevormd tot een vesting. Met de verovering van Keulen door de Franken in 454 kwam er definitief een einde aan het Romeinse gezag in onze contreien.

© archief Jo van Aken
© archief Jo van Aken

5 - Tweede Wereldoorlog: gevechten, geweld en vervolging

De Tweede Wereldoorlog heeft ook in Limburg een zware wissel getrokken. De Duitse inval op 10 mei 1940 ging gepaard met geweld, verwoestingen en verlies aan mensenlevens. De vervolgingen en andere terreur van de bezetter in de daaropvolgende jaren zorgden voor een groot aantal slachtoffers. Vergissingsbombardementen door Britse vliegtuigen eisten in Geleen en Maastricht mensenlevens.

Veel slachtoffers tijdens bevrijding
De zwaar bevochten bevrijding in 1944/1945 maakte ook onder de burgerbevolking vele slachtoffers. In september 1944 werden Zuid-Limburg en Weert en omgeving bevrijd. De bevrijding van Noord- en (overig) Midden-Limburg ging veel moeizamer. De Duitsers hadden langs de Duitse grens en noordelijker in de rivierendelta van de Maas, Waal en Rijn front gemaakt tegen de oprukkende geallieerden. In Midden- en Noord-Limburg liep het front van Sittard noordwaarts naar Nijmegen. In menige plaats werd vaak letterlijk om elk huis gevochten. De Duitsers trokken zich pas terug nadat alle hoge gebouwen, zoals kerken en molens, die als uitkijkpost dienst konden doen, waren vernietigd.

Evacuatie en oorlogsgeweld
In het frontgebied werden de inwoners massaal geëvacueerd. Vaak konden ze pas maanden later naar hun gehavende woonplaatsen terugkeren. De strijd richtte zich op twee gebieden: ten eerste Noord- en Midden-Limburg ten westen van de Maas en verder het gebied tussen de Maas en de Roer, de ‘Roerdriehoek’. In het noorden werd Venray op 17 oktober door Britse troepen bevrijd. De prijs was hoog: de hele binnenstad lag in puin. Gedurende deze strijd werden naar schatting 30.000 mensen uit het omstreden gebied geëvacueerd naar Noord-Brabant en België. Pas op 8 januari 1945 werd de bezetter definitief van de westelijke Maasoever verdreven.

Bombardementen
Het offensief in de Roerdriehoek nam ongeveer vijf maanden in beslag. Al vanaf begin november 1944 waren de inwoners van Susteren, Echt en andere dorpen aan de frontlinie gedwongen een goed heenkomen te zoeken in met name Montfort, Posterholt en Roermond. Pas eind februari 1945 kwam een einde aan de Slag om de Roerdriehoek. Gedurende de vier maanden van strijd werden de bewoners van dit gebied een of meerdere malen geëvacueerd. De bombardementen op Limburgse steden en dorpen kostten zo’n duizend burgers het leven en een veelvoud raakte gewond. Daarnaast zorgden de bommen voor een enorme materiële schade. De binnensteden van Venlo, Roermond en Venray werden grotendeels verwoest. In Montfort stond nauwelijks nog een huis overeind.

© ANP
© ANP

Ooggetuigen

Op 12 september 1944 staken de eerste Amerikaanse militairen de Nederlandse grens over in Zuid-Limburg. De bevrijding was begonnen. Een strijd die veel indruk maakte op tijdgenoten. Driekwart eeuw jaar later kunnen ze nog steeds opvallend nauwkeurig vertellen over de gevechten, de ontmoeting met de eerste bevrijders en de repen chocolade die ze kregen.

L1 registreerde indrukwekkende verhalen uit de bevrijdingstijd voor de tv-serie Ooggetuigen. In de vierdelige serie vertellen Limburgers over hun bevrijdingsherinneringen.

Ooggetuigen deel 1: Zuid-Limburg 

Ooggetuigen deel 2: De Peel 

Ooggetuigen deel 3: Bombardementen en gedwongen evacuaties 

Ooggetuigen deel 4: De winter van 1945 


6 - Levensgevaarlijke kinderjaren

In praktisch alles verschilt het heden van het verleden, maar niet in de onvermijdelijkheid van de dood. Elk leven eindigt ermee, en tijdens het leven wordt ieder mens meermaals met de dood van dierbaren geconfronteerd. Hoe we met de dood omgaan is in de loop van de eeuwen wel sterk veranderd, vooral – zo lijkt het – de laatste honderd jaar. Vroeger was de dood veel meer aanwezig dan nu. Er waren vrijwel geen gezinnen (arm noch rijk) waar de dood niet één of meerdere kleine kinderen uit het leven wegrukte.

Kindersterfte alledaags fenomeen
Zo’n gruwelijke, en vaak onverwachte, gebeurtenis bezorgde de ouders en andere familieleden een intens verdriet, een verdriet dat een litteken op de ziel kon bezorgen dat nooit meer wegging, maar toch lijkt het erop dat het verdriet na een periode van rouw als het ware werd opgeborgen. Wellicht heeft het feit dat kindersterfte een alledaags fenomeen was de nabestaande van een gestorven kind minder eenzaam gemaakt. Tegenwoordig verhoogt de uitzonderlijkheid van een dood kind het gevoel van verlatenheid. Ook moet niet worden uitgevlakt dat veel mensen in hun godsvertrouwen troost vonden. In katholieke kring ontleende de gelovigen troost en steun aan sommige heiligen, Maria voorop.

Betere hygiëne
In de negentiende eeuw nam de medische wetenschap een vlucht. Er ontstond veel meer kennis over de behandeling, en zeker ook de preventie van ziekten. Het belang van hygiëne werd steeds meer ingezien. Hygiënische omstandigheden bij medische behandelingen en rond bevallingen (handen wassen!) kregen prioriteit. Ook van persoonlijke hygiëne als van hygiënische woon- en werkomstandigheden werd het belang ingezien. Door diverse maatregelen nam het aantal gevallen van kindersterfte tussen 1880 en 1920 spectaculair terug. Van elke 100 kinderen die in Limburg rond 1860 levend ter wereld kwamen overleden er 16 in het eerste levensjaar. Rond 1925 liep dat sterftecijfer terug tot 7 en rond 1935 trof de dood nog 4 van de 100 kinderen onder de één jaar.

© iStock
© iStock

7 - Vervolging van de bokkenrijders

|

Geen onderwerp uit de Limburgse geschiedenis spreekt zo tot de verbeelding als de 'woeste avonturen' van de bokkenrijders, de meedogenloze bendes die in de achttiende eeuw het platteland onveilig maakten. Geen kerk of pastorie was voor hen heilig, laat staan het bezit van een rijke boer. De rooftochten maakten al snel deel uit van de volksverhalen en de populaire literatuur. In die context is ook de naam 'bokkenrijders' ontstaan; door een pact met Satan konden de bandieten zich op duivelse bokken door de lucht verplaatsen en in één nacht op ver van elkaar gelegen plekken hun misdaden plegen. De fantastische verhalen zijn door latere geschiedvorsers vaak als historische bron gebruikt. Het idee van goed georganiseerde, geheime bendes beheerst tot op de dag van vandaag het beeld.

Pijnbank
Een verklaring voor het optreden van de bendes is gezocht in de armoede en de groeiende sociale tegenstelling op het platteland van Zuid-Limburg in de achttiende eeuw. De bokkenrijders worden soms zelfs gezien als vrijheidsstrijders. Hierbij hebben we eerder met veronderstellingen te maken dan met harde feiten. Impliciet of expliciet gaan deze verklaringsmodellen uit van het bestaan van bendes. Opmerkelijk is dat de bekentenissen die de verdachten op de pijnbank aflegden in de geschiedschrijving lange tijd nauwelijks kritisch gewogen is. De vraag welke waarde we mogen hechten aan de verklaringen die door tortuur zijn verkregen, werd opvallend weinig gesteld.

Twijfel
Tegenwoordig wordt er toch wel behoorlijk getwijfeld aan het bestaan van het fenomeen 'bende'. De verschillende overvallen en diefstallen worden nu als losstaande incidenten gezien. Niettemin staat vast dat er vele honderden mensen hun leven hebben gelaten op het schavot. Tussen 1743 en 1777 zijn door juridische dwaling bijna vijfhonderd personen veroordeeld tot de doodstraf. Vrouwen en kinderen van de slachtoffers leefden verder in grote armoede en schande. De bokkenrijders zijn vooral bekend uit Zuid-Limburg, maar er vonden ook vervolgingen plaats in Midden-Limburg en in Belgisch Limburg.

© RHCL, Prentencollectie RAL, cat. nr. 737
© RHCL, Prentencollectie RAL, cat. nr. 737

Nog meer over de bokkenrijders

Wie kent de verhalen over de bokkenrijders niet? Vooral Limburgers zijn er mee opgegroeid. Nu er de laatste jaren steeds meer bekend wordt over deze dievenbende is het volgens liefhebbers tijd voor een nieuwe film.

De teller staat inmiddels op zo'n 1300 boeken. Oftewel, vele meters aan archiefmateriaal, romans, rechtbankverslagen, onderzoek en ander proza. Allemaal over de Bokkenrijders. Frits Schoonbrood uit Schinnen schreef een boek, een nieuw onderzoek naar de bokkenrijders.

Je zou het het levenswerk van Frits Schoonbrood uit Schinnen kunnen noemen; De bokkenrijders met de dode hand. Hij werkte meer dan 10 jaar aan de twee delen van het boek. L1 ging langs en vroeg zich af wat deze boeken, met alles wat er al over de legendarische roversbende uit de 18e eeuw verschenen is, nog toevoegen.


8 - Mijnongelukken

Het beroep van mijnwerker is gevaarlijk. Dat was in de Limburgse 'koele' niet anders, ook al hadden deze een goede reputatie op het vlak van veiligheid. Er bestond instortingsgevaar, water kon onverhoeds opkomen, een brand kon razendsnel om zich heen grijpen en het reukloze mijngas lag bij wijze van spreken altijd op de loer. Verstikking en explosiegevaar, iedere 'koelpiet' was er als de dood voor. Naar schatting hebben 1500 koempels tussen 1852 en 1974 hun leven verloren.

Ondergrondse brand
Een grote ramp deed zich op 23 maart 1947 voor in Staatsmijn Hendrik, toen een slippende transportband op 636 meter diepte oververhit raakte. Smeerolie, kolengruis en houten materialen vatten vlam. Aangewakkerd door een luchtstroom stond de galerij over een lengte van 90 meter in geen tijd in lichterlaaie. Dertien koempels vonden de dood, het gelijke aantal dat 13 juli 1928 in dezelfde mijn was omgekomen bij een mijngas- en kolenstofontploffing.

|
|

Gevaren aan het kolenfront
Het gevaar onder in de mijn beschouwden de koempels als beroepsrisico. Daar stonden een hoge beloning, beroepstrots en kameraadschap tegenover. Ook was men zich bewust dat het geen gezond werk was, maar van de risico’s die het stof in de mijnen op de lange termijn met zich meebracht, hadden velen hooguit een vage notie. De mijndirecties beschouwden het niet als hun plicht om de werknemers te wijzen op het gevaar van stoflongen of om zieke werknemers arbeidsongeschikt te verklaren. De ziekte werd vaak afgedaan als 'normale slijtage' of 'astmatische bronchitis'. Duizenden mijnwerkers werden door de verstikkende silicose getroffen. Zelf spreken ze van sjtöp. Een stille ramp.

Bovengrondse gevaren
Het was geen mijnramp, want in 1975 waren de steenkolenmijnen al gesloten toen een grote ramp plaatsvond op het terrein van DSM. De opvolger van de mijnen in Limburg werd getroffen door een explosie van een naftakraker. Op het DSM-terrein tussen Beek en Geleen kwamen op 7 november 1975 14 mensen om en raakten er 109 gewond. Huilende vrouwen voor poort van DSM kopte de krant de volgende dag. Tegen de avond dreigde opnieuw een ramp. De tanks met miljoenen liters brandende nafta scheurden open en zetten nog vier andere tanks met nafta in vlammen. Er werd opnieuw groot alarm geslagen, terwijl politiewagens rondreden en de bevolking waarschuwden de ramen open te zetten in verband met verder explosiegevaar. De Westelijke Mijnstreek ontsnapte ternauwernood aan een catastrofe.

Hoge aantallen
In totaal zijn 1500 mijnwerkers in Limburg verongelukt, zowel onder- als bovengronds. Het waren vaak ongelukken waarbij één of enkele werknemers omkwamen. Maar er vonden ook grote rampen plaats: Staatsmijn Hendrik, 1947 (grootste ramp: 13 doden), Staatsmijn Maurits 1958 (7 doden) en ramp Naftakraker DSM Geleen 1975 (14 doden).

© Collectie Heemkundevereniging
© Collectie Heemkundevereniging

Kijk ook: Plaquette voor Heerlense held van mijnramp Marcinelle


9 - Verdwenen industrieel erfgoed en kleinschalig landschap

Bij een ramp denken we aan iets vreselijks dat ons plotseling overkomt. Maar een ramp kan zich ook haast sluipenderwijs voltrekken. En ook kan die ramp met het volle bewustzijn door ons zelf in gang zijn gezet. Iets dergelijks heeft zich voorgedaan met de leefomgeving van onze voorouders, of die nu op het platteland of in de stad woonden. Sporen van dit verleden zijn vaak bewust opgeruimd omdat ze niet meer pasten in het ideaalbeeld van een op de toekomst gerichte samenleving. Modern was goed, het verleden was ouwe kraom die maar in de weg zat.

Mijnschachten opgeruimd
Oude fabrieksgebouwen stonden leeg en leverden niks meer op. Afbreken was de enige optie. Aan alternatief hergebruik werd niet gedacht Zo zijn in de jaren 1970-1990 onder de naam ‘Van Zwart naar Groen’ vrijwel alle gebouwen die aan het mijnverleden herinnerden opgeruimd. Maar de ontkenning van het verleden leverde maar al te vaak een onbezield heden op, hebben we gemerkt. Nu kijken we met een jaloerse blik naar Belgisch-Limburg en het Ruhrgebied, waar veel zorgvuldiger met de relicten van het industriële landschap is omgesprongen.

Schaalvergroting
Op het platteland heeft zich al een even ingrijpend proces voorgedaan. Na de Tweede Wereldoorlog stond het landbouwbeleid in het teken van rationalisatie, schaalvergroting en productiegroei. Boerderijtjes en kleine landschapselementen zoals hagen, hoogstamfruitbomen en poelen moesten letterlijk plaatsmaken voor efficiënte boerenbedrijven en grote landbouwpercelen. Vandaag de dag merken we met allerlei crisissen dat de grenzen van de groei in de landbouw bereikt zijn. Het huidige platteland is een barre woestenij vergeleken met het, ondertussen geïdealiseerde, boerenland van onze voorouders.

© Flickr/ Bert Kaufmann
© Flickr/ Bert Kaufmann

10 - Busongeluk Cauberg, 1954

|

29 september 1954 is een zwarte dag in de geschiedenis van Valkenburg. Op die dag 68 jaar geleden gebeurde er een vreselijk busongeluk waarbij negentien mensen omkwamen. Het is de grootse verkeersramp uit de Limburgse geschiedenis en het grootste busongeluk van Nederland.

De verongelukte bus was er één uit een stoet van zeven, die die ochtend uit de omgeving van Luik was vertrokken voor een uitstapje van voornamelijk oud-mijnwerkers en metaalarbeiders uit het Waalse Grâce-Berleur. Niet alleen gepensioneerden namen deel aan de excursie, maar meestal ook hun vrouwen, en vaak ook hun kleinkinderen. Na een bezoek aan Klant’s Dierentuin op de kop van de Cauberg vertrokken de bussen voor de thuisreis. Ze daalden de Cauberg af. De dag erna kopt Het Limburgsch Dagblad: Vijftien Belgen vonden de dood in Valkenburg. Het Grendelplein bood na de ramp een apocalyptische aanblik.

Volgens de chauffeur, die het ongeluk overleefde, weigerden de remmen en deed de versnellingsbak het niet, waardoor hij ook niet op de motor kon remmen. Het autobusbedrijf werd later door de Belgische rechtbank schuldig verklaard aan de ramp wegens grove nalatigheid.

Eerste dodelijk auto-ongeluk
Opmerkelijk is dat het ongeluk van 1954 een reprise is van het eerste dodelijke auto-ongeluk van Nederland. Op 24 september 1901 namelijk, knalde een auto – in 1895 reed de eerste automobiel in Nederland – tegen de Grendelpoort. Ook nu weigerden de remmen, en ook nu was de chauffeur van de slechte staat van de remmen op de hoogte.

Veel slachtoffers
De opkomst van de auto vanaf 1900 leidde tot gevaarlijke situaties op de wegen die tot dan toe het domein van voetgangers, paarden en wagens waren. Er waren aanvankelijk nauwelijks snelheidsregels, het wegennet was niet berekend op snel verkeer en automobilisten reden roekeloos. Ondanks de relatief lage snelheden die konden worden bereikt, vielen er al snel veel verkeersslachtoffers. In de jaren zeventig van de vorige eeuw waren er in Nederland maar liefst 3000 verkeersdoden te betreuren. Door allerlei verkeersveiligheidsmaatregelen is dat aantal teruggebracht tot 581 in 2021.

© Collectie Heemkundevereniging
© Collectie Heemkundevereniging

Volg en deel L1 op social media

Volg L1 op onderstaande kanalen en deel jouw moment met #LiefdevoorLimburg.

L1 Sport: Tafel Voetbal met Kevin Hofland en Maurice Verberne

L1 Sport: Tafel Voetbal met Kevin Hofland en Maurice Verberne

L1mburg Centraal: gedupeerden Car Driver Deals wachten nog steeds op geld

L1mburg Centraal: gedupeerden Car Driver Deals wachten nog steeds op geld

L1mburg Centraal: gedupeerden Car Driver Deals wachten nog steeds op geld

L1mburg Centraal: gedupeerden Car Driver Deals wachten nog steeds op geld

L1mburg Centraal: belangrijke zege Fortuna bij Cambuur

L1mburg Centraal: belangrijke zege Fortuna bij Cambuur

L1mburg Centraal: Kelly, prinses tussen de prinsen

L1mburg Centraal: Kelly, prinses tussen de prinsen

L1mburg Centraal: Gekke Maondaag weer in januari

L1mburg Centraal: Gekke Maondaag weer in januari

Programma's